Wetsvoorstel gemeentelijke instrumenten warmtetransitie: bevoegdheid aan gemeenten tot uitsluiten gasgebruik bestaande bouw

Erwin Noordover en Rieneke Jager van NewGround Law bespreken het wetsvoorstel gemeentelijke instrumenten warmtetransitie die op 1 januari 2024 in werking zou moeten treden.

De Omgevingswet vervangt alle bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving (o.a. ruimtelijke ordening, milieu en natuurbescherming). Onder het motto “eenvoudig beter” zullen 40 wetten en 120 AMvB’s worden gebundeld in één wet en vier AMvB’s. Dat zou het omgevingsrecht inzichtelijker, voorspelbaarder en gemakkelijker in het gebruik maken en zorgen voor een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, meer flexibiliteit en afwegingsruimte voor lokale overheden en snellere besluitvorming. De inwerkingtreding van de Omgevingswet is voorzien op 1 juli 2022.

Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie
Sinds 15 december 2021 ligt de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie ter consultatie. Het wetsvoorstel bevat aanpassingen van de Gaswet en de Omgevingswet en heeft tot doel uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken over de verduurzaming van de gebouwde omgeving. In het Klimaatakkoord is namelijk afgesproken dat alle woningen en andere gebouwen in Nederland in 2050 goed geïsoleerd moeten zijn, met duurzame energiebronnen moeten worden verwarmd en dat schone elektriciteit moet worden gebruikt. De wet moet aan gemeenten de ruimte geven om op basis van de Omgevingswet regels te stellen die het gebruik van gas in een gebied uitsluiten.

Het doel van de wet
Om in 2050 alle 7,5 miljoen woningen en 1 miljoen andere bestaande gebouwen op Nederlandse bodem van het gas af te hebben, moet tempo worden gemaakt. Om de doelstelling te behalen, moeten tussen 2021 en 2050 per jaar circa 200.000 woningen gasvrij worden gemaakt. Er zijn al diverse stimulerende maatregelen vanuit het Rijk beschikbaar om woning- en gebouweigenaren aan te moedigen om af te schakelen. Niettemin voorziet het Rijk dat het afschakelen van de woningen en andere gebouwen op basis van vrijwilligheid onvoldoende is om de doelstellingen te behalen. Daarom wordt met de wet beoogd aan gemeenten de benodigde bevoegdheden te geven.

De beoogde veranderingen
In het huidige recht zijn verschillende bepalingen die ervoor zorgen dat de bestaande woningen verplicht op het gas aangesloten moeten zijn. In een eerdere blog leest u daar meer over.

Met dit wetsvoorstel beoogt het Rijk een bepaling te introduceren die ervoor moet zorgen dat gemeenten regels kunnen stellen die het gebruik van gas, als warmtevoorziening voor gebouwen of als energievoorziening van milieubelastende activiteiten, in een gebied uitsluiten. Daartoe kunnen gemeenten met de Omgevingswet in de omgevingsplannen bepaalde wijken aanwijzen waar vanaf een bepaald moment geen gas meer mag worden gebruikt. Op dat moment hebben de gasgebruikers in die wijken recht op een aansluiting op een alternatieve energievoorziening met voldoende capaciteit, zoals een elektriciteits- of een warmtenet. Dat die alternatieve aansluiting aanwezig moet zijn, wordt vormgegeven via de instructieregels van de Omgevingswet. Het samenspel aan regels heeft tot doel om het recht op een gasaansluiting te vervangen door een recht op warmte.

De stappen die de gemeente moet doorlopen
1. Warmteprogramma
Met de wet krijgen gemeenten de bevoegdheid om gericht wijken aan te wijzen waarin een duurzame energievoorziening beschikbaar komt ter vervanging van het gas. Deze bevoegdheid wordt de aanwijsbevoegdheid genoemd. Als gemeenten gebruik willen maken van de aanwijsbevoegdheid dan moeten zij daartoe een warmteprogramma (transitievisie warmte) vaststellen. Kortgezegd moeten gemeenten in dit programma het tijdspad van verduurzaming van de wijk of buurt beschrijven en de potentieel beschikbare duurzame warmtealternatieven in beeld brengen.

 2. Uitvoeringsplan
Het warmteprogramma moet worden uitgewerkt in een uitvoeringsplan voor een wijk, een buurt, een dorp of een kern van de gemeente. Het staat de gemeenten vrij om zelf een schaalniveau te kiezen waarop een uitvoeringsplan betrekking heeft. De uitvoeringsplannen moeten door gemeenten worden opgesteld in samenspraak met bewoners, gebouweigenaren, netbeheerders en andere stakeholders. De uitvoeringsplannen dienen vervolgens als een belangrijke onderbouwing voor de wijziging van de omgevingsplannen ten behoeve van de energietransitie in de gebouwde omgeving.

3. Omgevingsplan
De verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet is 1 juli 2022. Indien de Omgevingswet dan ook daadwerkelijk in werking treedt, hebben gemeenten voor het hele grondgebied één omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan). Als een gemeente gebruik maakt van de aanwijsbevoegdheid dan moet in het omgevingsplan in ieder geval de gekozen alternatieve warmtevoorziening en de datum waarop de wijk van het gas afschakelt worden opgenomen. Gemeenten moeten zich ervan verzekeren dat de alternatieve warmtevoorziening beschikbaar is voordat het transport van gas kan worden stopgezet. Ook moet het omgevingsplan de benodigde alternatieve energie-infrastructuur mogelijk maken zodat bijvoorbeeld een warmtenet daadwerkelijk wordt aangelegd.

Verschil tussen ‘aardgas’ en ‘gas’
De wet biedt alleen de mogelijkheid voor gemeenten om het gebruik van gas uit te sluiten. Daartoe wordt door het Rijk overwogen dat in de huidige Gaswet wordt gesproken over gas als het in hoofdzaak bestaat uit methaan of een andere stof die, vanwege haar eigenschappen aan methaan, gelijkwaardig is. Het gas dat via het gastransportnet bij de afnemers terecht komt is altijd een mengsel van gassen, zodat enkel het uitsluiten van aardgas niet mogelijk is. Gassen die niet gelijkwaardig zijn aan aardgas, zoals biogas en waterstof, vallen buiten de definitie van gas uit de Gaswet. Zodoende kunnen gemeenten het gebruik van aardgas uitsluiten en het gebruik van bijvoorbeeld waterstof in een wijk toestaan.

De waarborgen voor bewoners, gebouweigenaren en netbeheerders
Als gemeenten het gebruik van gas in een wijk uitsluiten dan heeft dit gevolgen voor diverse partijen. In de eerste plaats zijn er gevolgen voor de bewoners en de gebouweigenaren, waarvoor diverse juridische en niet-juridische waarborgen worden voorgesteld. Die waarborgen zien onder meer toe op de betaalbaarheid, de beschikbaarheid van de alternatieve energievoorziening en de wijze waarop participatie en rechtsbescherming zijn geborgd. De waarborgen maken veelal deel uit van flankerend beleid, of worden later bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) uitgewerkt.

Daarnaast heeft de aanwijzing ook gevolgen voor de netbeheerders. De netbeheerders dienen in de aangewezen wijken geen nieuwe gasaansluitingen te realiseren, het in gebruik geven van bestaande aansluitingen te beëindigen en geen transport van gas te verrichten. De netbeheerders hebben echter nog geen vergoeding ontvangen voor toekomstige verwijdering van de gasnetten. Daarom hebben de netbeheerders geen opgebouwde reserve voor het vervangen of verwijderen van het gasnet, hetgeen betekent dat de verwijderingskosten voornamelijk bij de achterblijvers op het gasnet in rekening moeten worden gebracht. Om dat te voorkomen heeft de ACM in haar methodebesluit voor regionale netbeheerders 2022-2026 maatregelen genomen die tot gevolg hebben dat op korte termijn meer wordt afgeschreven op gasnetten. Die hogere afschrijvingskosten moeten op lange termijn zorgen voor lagere nettarieven. Niettemin heeft de ACM aangegeven dat het mogelijk wenselijk is om de netbeheerders toe te staan een voorziening op te bouwen voor toekomstige verwijderingskosten. Het opbouwen van een voorziening is een manier om de verwijderingskosten aan een jaar eerder toe te rekenen. Daardoor moeten de huidige en toekomstige gebruikers gaan meebetalen aan de verwijdering van het gasnet en moet worden voorkomen dat disproportionele kosten terecht komen op de achterblijvers op het gasnet. De wet regelt dat de ACM kan besluiten dat een netbeheerder een voorziening mag gaan opbouwen.

De beoogde inwerkingtreding
Het voornemen is om de wet in werking te laten treden op 1 januari 2024. Voor die inwerkingtreding moeten nog diverse onderdelen in AMvB’s worden uitgewerkt. Het streven is daarbij om de met het wetsvoorstel samenhangende uitvoeringsregels in het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit gelijktijdig met de wet in werking te laten treden. Hoewel wij ons afvragen of het wetsvoorstel op tijd is om de doelstellingen in 2050 te halen, lijkt het in ieder geval een stap in de goede richting tot een gasvrije gebouwde omgeving.

Het wetsvoorstel en toelichting liggen tot 26 januari 2022 ter internetconsultatie.

 

Menu