Q&A Omgevingswet XXXIII: Wat zijn de gevolgen voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.”)?

Erwin Noordover en Pieter van der Woerd van NEWGROUND gaan in op de vraag wat de gevolgen zijn van de Omgevingswet voor de milieueffectrapportage. 

Deze blog werd gepubliceerd op –> VastgoedJournaal | Leestijd: 5 minuten

De Omgevingswet vervangt alle bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving (o.a. ruimtelijke ordening, milieu en natuurbescherming). Onder het motto “eenvoudig beter” zullen 40 wetten en 120 AMvB’s worden gebundeld in één wet en vier AMvB’s. Dat zou het omgevingsrecht inzichtelijker, voorspelbaarder en gemakkelijker in het gebruik maken en zorgen voor een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, meer flexibiliteit en afwegingsruimte voor lokale overheden en snellere besluitvorming. De inwerkingtreding van de Omgevingswet is voorzien op 1 januari 2022. Om u goed voor te bereiden op de inwerkingtreding, gaan advocaten van NEWGROUND in deze blogserie in op vragen ten aanzien van de Omgevingswet.

In het kort: de milieueffectrapportage
De plicht om een milieueffectrapport (“MER-plicht“) op te stellen om te beoordelen of een milieueffectrapport nodig is (“m.e.r.-beoordelingsplicht“) komen we tegen bij besluitvorming over bijvoorbeeld stedelijke ontwikkelingsprojecten, industrie en windparken. Bij dergelijke projecten kan een MER-plicht op verschillende manieren ontstaan. De laatste tijd zien we de koppeling van een MER-plicht aan een bestemmingsplan met een passende beoordeling van stikstofeffecten. Verder bestaat er vaak een m.e.r.-beoordelingsplcht van een aanvraag voor een omgevingsvergunning strijdig gebruik, om vast te stellen of er wel of geen MER moet worden opgesteld.

Doel van het milieuonderzoek is om de mogelijke gevolgen voor het milieu tijdig inzichtelijk te hebben en bij de besluitvorming te kunnen betrekken. Aangezien de m.e.r.-regelgeving voortvloeit uit Europese richtlijnen, treedt hierin met de inwerkingtreding van de Omgevingswet weinig verandering op. De veranderingen die worden doorgevoerd, zien er primair op toe om de regelgeving beter aan te laten sluiten op de Europese kaders. Verder bevat de Omgevingswet nieuwe instrumenten, zoals het omgevingsplan en het programma, waarmee ervaring moet worden opgedaan met het te verrichten milieuonderzoek. Over deze instrumenten verscheen eerder in deze reeks een blog.

Het milieueffectrapport voor plannen en programma’s
Voor plannen en programma’s kan de verplichting bestaan een plan-MER op te stellen. In de huidige regelgeving wordt expliciet benoemd welke plannen dit kunnen zijn, zoals een structuurvisie, bestemmingsplan of een inpassingsplan. Onder de Omgevingswet is niet langer sprake van een limitatieve lijst van plannen en programma’s waarvoor een plan-MER moet worden opgesteld. In plaats daarvan moet worden bepaald of het plan of programma kaderstellend is voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten. In ieder geval zijn de omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing als zodanig plan-m.e.r.-plichtig. 

Overigens vindt nu al discussie plaats over de vraag of een besluit een kaderstellend plan of programma is waarvoor een plan-MER moet worden opgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bijvoorbeeld geoordeeld dat normen uit de Waterwet en het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer geen plannen of programma’s vormen. 

De Omgevingswet voert ook een plan-m.e.r.-beoordeling in. Hiermee is het mogelijk om eerst te beoordelen of er sprake is van zodanige aanzienlijke milieueffecten dat een MER moet worden opgesteld. Voor drie situaties is het mogelijk om via een plan-m.e.r.-beoordeling vast te stellen of er een plan-MER nodig is: 

  1. De eerste situatie betreft kleine gebieden op lokaal niveau.
  2. De tweede situatie betreft kleine wijzigingen van een plan of programma.
  3. De derde situatie betreft plannen en programma’s die het kader vormen voor projecten die niet zijn aangewezen in de m.e.r.-richtlijn.

Het doel van deze uitzonderingsmogelijkheden is om te voorkomen dat een plan-MER moet worden opgesteld voor ontwikkelingen die slechts geringe milieueffecten hebben. De Crisis- en herstelwet (“Chw”) heeft recent een voorloper gekregen van de plan-m.e.r.-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of met kleine wijzigingen. Deze uitzondering van een plan-MER is opgenomen naar aanleiding van de stikstofcrisis. Veel bestemmingsplannen zijn enkel plan-MER-plichtig vanwege de verplichting om een passende beoordeling op te stellen voor potentiële stikstofeffecten op een Natura 2000-gebied. Als een passende beoordeling moet worden gemaakt voor een plan of programma, moet op grond van de wet ook een plan-MER worden gemaakt. Aangezien dit bij veel plannen niet opportuun is, is vooruitlopende op de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling opgenomen in de Chw. Een passende beoordeling noopt dan niet meer automatisch tot een plan-MER.

Het milieueffectrapport voor projecten
Het MER voor projecten, dat o.a. hoort bij verlening van een omgevingsvergunning, ondergaat weinig verandering. De lijst met projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat, blijft gelijk en is terug te vinden in het Omgevingsbesluit. Verder wordt de procedure voor voorbereiding van een project-MER versimpeld. Waar onder het huidige recht hiervoor twee procedures bestaan, bestaat onder de Omgevingswet slechts één procedure. Er is onder andere geen sprake meer van een verplicht advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage. 

Afronding
De Omgevingswet heeft vooral gevolgen voor het plan-MER. De plan-m.e.r.-beoordeling gaat hopelijk leiden tot een verlichting van de onderzoekslasten bij kleine bouwontwikkelingen. De praktijk zal uitwijzen wanneer er sprake is van een klein gebied of van een kleine wijziging. In de praktijk zal ook verdere ervaring opgedaan moeten worden met het opstellen van een MER voor de nieuwe instrumenten uit de Omgevingswet: hoe passen we het onderzoek aan op de nieuwe besluitvorming? 

Menu