Q&A Omgevingswet (VI): De omgevingsvisie: succesvolle boring ruimtelijke belangen?

De Omgevingswet vervangt alle bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving (o.a. ruimtelijke ordening, milieu en natuurbescherming). Onder het motto “eenvoudig beter” zullen 40 wetten en 120 AMvB’s worden gebundeld in één wet en vier AMvB’s. Dat zou het omgevingsrecht inzichtelijker, voorspelbaarder en gemakkelijker in het gebruik maken; een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, meer flexibiliteit en afwegingsruimte voor lokale overheden en snellere besluitvorming. Als het aan het kabinet ligt, treedt de Omgevingswet per 1 januari 2021 in werking. Daarom zullen wij op deze plek wekelijks een vraag beantwoorden ten aanzien van de Omgevingswet. De vraag van deze week luidt: Wat behelst de omgevingsvisie?

In de tweede week zijn de zes belangrijke instrumenten van de Omgevingswet uitgelicht: het programma, algemene rijksregels, algemene regels van decentrale overheden, de omgevingsvergunning, het projectbesluit en de omgevingsvisie. Deze week zullen wij uitgebreider ingaan op de omgevingsvisie. Verder zullen wij twee praktijkvoorbeelden beschrijven.

Doel omgevingsvisie

Het doel van de omgevingsvisie is het opstellen van een integraal beleidsdocument waarin strategische keuzes worden gemaakt. In de omgevingsvisie wordt ook duidelijk gemaakt bij wie de verantwoordelijkheid ligt. Provincies, gemeenten en Rijk zullen allen een omgevingsvisie moeten vaststellen. De omgevingsvisie vormt de basis voor de inzet van andere instrumenten om de in die visie opgenomen doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Op dit moment zijn beleidsthema’s veelal versnipperd over verschillende documenten, zoals het waterplan, de structuurvisie, het milieubeleidsplan, het natuurbeleidsplan en het verkeer- en vervoersplan. Op 10 februari 2020 verscheen in NRC een artikel over een niet gepubliceerd ILT-rapport, waaruit zou volgen dat deze belangen op verschillende bestuurlijke niveaus onvoldoende worden gewaarborgd.

Wat staat in de omgevingsvisie?

Een omgevingsvisie moet een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving bevatten, de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied. Ten slotte bevat de omgevingsvisie de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. Aspecten die de omgevingsvisie kan bevatten zijn onder meer drinkwater, erfgoed, externe veiligheid, geur, gezondheid, lucht en maatschappelijke opgaven. Bij het opstellen van de omgevingsvisie worden overheden geacht om de actuele ontwikkelingen in kaart te brengen en een prioritering aan te brengen. De keuzes voor de lange termijn worden in de omgevingsvisie verwerkt.

Concrete praktijkvoorbeelden

Hoewel minder dan een jaar voor tijd nog niet alle organisaties echt goed van start zijn gegaan met de voorbereidingen, zijn diverse overheden al aan de slag gegaan met het opstellen van omgevingsvisies. Het Rijk heeft een ontwerp-omgevingsvisie opgesteld: de nationale omgevingsvisie (“NOVI”). In dit ontwerp worden vier prioriteiten voor het toekomstperspectief op 2050 geschetst:

  1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie: Nederland moet in 2050 een duurzame energievoorziening hebben. Daarom wordt gestuurd op meer ruimte voor windmolens en zonnepanelen.
  2. Duurzaam economisch groeipotentieel: Nederland moet ruimte scheppen voor een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarom moeten goede verbindingen komen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken. Tevens wordt daarbij gestreefd naar een nauwe samenwerking met internationale partners.
  3. Een derde prioriteit is dat er sterke en gezonde steden en regio’s komen. Het Rijk wil inzetten op zoveel mogelijk open ruimte tussen stedelijke regio’s. Daarnaast moeten er investeringen worden gedaan op het gebied van mobiliteit.
  4. De vierde prioriteit is het toekomstigbestendig ontwikkelen van het landelijk gebied. Nederland moet koploper worden in duurzame kringlooplandbouw. Bedrijven moeten een minimaal effect hebben op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Het Rijk is kritisch over verrommeling en versnippering, zoals op diverse locaties plaatsing van distributiecentra.

Een ander voorbeeld is de pilot die door de gemeenten in Hart van Holland (Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten, Wassenaar en Zoeterwoude) is uitgevoerd. De tien aangesloten gemeenten hebben een gezamenlijke agenda opgesteld met lange termijn doelstellingen voor de regio. De doelstellingen worden onverdeeld in vijf “lagen”: gezonde lucht, robuust landschappelijk raamwerk, gevarieerde verstedelijking langs de Oude Rijn, optimale bereikbaarheid en een draagkrachtige ondergrond. Om bij te dragen aan de goede lucht worden activiteiten en bestemmingen die hinder opleveren zoveel mogelijk gepositioneerd op plekken waar bewoners er zo min mogelijk last van hebben. Landschappelijk geldt dat alle bewoners op maximaal 15 minuten fietsen van open landschap wonen. Met het oog op verstedelijking wordt nieuwe bebouwing gericht op functiemenging. Bestaande woningen moeten verduurzaamd worden. Verder streeft Hart van Holland naar verbetering van de OV-, de weg- en vaarweginfrastructuur. Bodem is een probleem in Hart van Holland. In veel veenweidegebieden treedt bodemdaling op als gevolg van ontwatering. Bij bouwen moet daarom rekening worden gehouden met de ondergrond.

Conclusie

Gelukkig zijn steeds meer overheden volop bezig met het opstellen van een omgevingsvisie: het document dat de ambities en doelstellingen voor de lange termijn weergeeft. De omgevingsvisie zal dienen ter onderbouwing van het later op te stellen omgevingsplan, waar wij volgende week op terug zullen komen. Daarbij merken wij op dat in de decentrale omgevingsvisies wordt weergegeven op welke wijze nationale ruimtelijke belangen zullen (moeten) doorwerken op decentraal niveau. Hiermee kan tegemoet worden gekomen aan de door ILT geuite zorg dat deze belangen onvoldoende geborgd worden. Bovendien creëren decentrale overheden hiermee voor zichzelf een ‘checklist’ waarmee kan worden voorkomen dat zij nationale ruimtelijke belangen en daaruit voortvloeiende wet- en regelgeving over het hoofd zien. Het Rijk zal lagere overheden desgewenst op weg kunnen helpen.

Deze blog verscheen eerder op Vastgoedjournaal

Menu