Q&A Omgevingswet lll: De doelen van de Omgevingswet

Iedere week zullen op VJ de juridische experts van NewGround Law een facet behandelen van de Omgevingswet, de nieuwe wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving. Vandaag beantwoorden Anne-Marie Klijn en Paul de Lange de vraag: welke maatschappelijke doelen zijn richtinggevend bij de uitvoering van de Omgevingswet?

De Omgevingswet vervangt alle bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving (o.a. ruimtelijke ordening, milieu en natuurbescherming). Onder het motto “eenvoudig beter” zullen 40 wetten en 120 AMvB’s worden gebundeld in één wet en vier AMvB’s. Dat zou het omgevingsrecht inzichtelijker, voorspelbaarder en gemakkelijker in het gebruik maken; een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, meer flexibiliteit en afwegingsruimte voor lokale overheden en snellere besluitvorming. Als het aan het kabinet ligt, treedt de Omgevingswet per 1 januari 2021 in werking. Daarom zullen wij op deze plek wekelijks een vraag beantwoorden ten aanzien van de Omgevingswet. De vraag van deze week luidt: Welke maatschappelijke doelen zijn richtinggevend bij de uitvoering van de Omgevingswet?

Doelmatig
Zoals we vorige week al schreven, is de Omgevingswet gericht op (1) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en (2) het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Dit met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. En alles in onderlinge samenhang. De term “doelmatig” beklemtoont dat de beschikbare gebruiksruimte in de fysieke leefomgeving zo verdeeld moet worden over de verschillende functies die de fysieke leefomgeving heeft voor menselijk gebruik, dat dit maatschappelijk het meest efficiënt is.

Wat betekenen deze doelen voor de overheid ?
Bij het vaststellen van de nadere regelgeving krachtens de Omgevingswet is de overheid gebonden aan de maatschappelijke doelen van de wet. Dat vergt continu balanceren tussen de twee doelen. Zo moet de gemeente bij het vaststellen van een omgevingsplan, een evenwicht vinden tussen die functies en activiteiten die, gelet op de doelen van de Omgevingswet wel en niet kunnen worden toegestaan en onder welke voorwaarden. Kunnen beide doelen niet op dezelfde wijze worden gediend, dan moet een zorgvuldige belangenafweging maken. De Raad van State zal die belangenafweging toetsen.

Niet alleen bij het vaststellen van een omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de doelen die de wet dient, maar een gemeente, een provincie of het Rijk oefent al zijn taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet uit met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Dus ook bij het verlenen of weigeren van vergunningen die hun basis vinden in de Omgevingswet, of bij het handhaven van een omgevingsplan. Bij deze besluiten zullen dus afwegingen kunnen (of soms zelfs moeten) worden gemaakt over het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Dit met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. En alles in onderlinge samenhang.

Wat betekenen deze doelen voor burgers en bedrijven?
Voor burgers en bedrijven geven de doelen onder meer richting aan de zorgplicht die inhoudt dat een ieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat als men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, de verplichting bestaat om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. Als dat niet kan, alle maatregelen te nemen om die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Als dat niet kan, om de activiteit achterwege te laten (voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd). Een dergelijke brede zorgplicht bestaat nu nog niet.

Schaarste en duurzame ontwikkeling
Tot slot: duurzame ontwikkeling is het kerndoel en dus ook een verbindend element. Het expliciet opnemen van dit oogmerk in de doelen beklemtoont dat bij de toepassing van de Omgevingswet niet alleen de behoeften van de huidige generatie, maar ook die van toekomstige generaties van belang zijn.

Gemeenten spelen de hoofdrol bij het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Ze zorgen voor de openbare ruimte, ze delen de schaarse ruimte toe aan maatschappelijke functies en zijn het bevoegd gezag voor veruit de meeste activiteiten van burgers en bedrijven. In Nederland concurreren verschillende ruimtelijke functies, zoals wonen, werken, mobiliteit, natuur, water en energievoorziening, om de schaarse ruimte. Dit speelt zowel op het land, op het water als in de ondergrond.

Voortdurend moeten belangen tegen elkaar worden afgewogen. Bij die afweging moet een goede balans worden gezocht tussen de behoefte aan een kwalitatief goede, veilige en gezonde fysieke leefomgeving en factoren als bereikbaarheid, economische dynamiek, werkgelegenheid. Daarom is een integrale benadering nodig, zowel bij inhoud als proces.

Overheden zullen wellicht een bepaalde rangorde moeten gaan bepalen in de volgorde van maatschappelijke en ecologische behoeften bij schaarste of dreigende schaarste op alle vlakken waar die schaarste kan worden verwacht. Een soortgelijk proces zoals nu speelt bij de toedeling of reservering van depositieruimte in het kader van de Wet spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur die op 1 januari 2020 in werking is getreden.

Volgende week luidt de vraag: Welke rol speelt gezondheid in de Omgevingswet?

Deze blog verscheen eerder op Vastgoedjournaal.

Menu