Jet van Noort en André Gaastra bespreken de Kamerbrief Vereenvoudigingswet 2026 van 7 september 2026. Wat staat daarin, en vooral: wat kan de vastgoedpraktijk ermee?
Waarom een vereenvoudigingswet?
De inzet van het kabinet is duidelijk: de overheid moet volgens de Kamerbrief slagvaardiger worden, onder meer door wet- en regelgeving te vereenvoudigen. Dat klinkt aantrekkelijk voor iedereen die betrokken is bij gebiedsontwikkeling, transformatie, woningbouw, energieprojecten of vastgoedexploitatie. Juist in die praktijk kan juridische complexiteit niet alleen een bestuurlijk probleem zijn, maar ook een risico voor vastgoedontwikkeling.
In de Kamerbrief wordt een jaarlijkse vereenvoudigingswet aangekondigd. Dat is geen nieuwe grote stelselherziening, maar een terugkerend wetgevingsinstrument om bestaande regels bij te stellen, te verduidelijken of te verminderen. De eerste edities worden nadrukkelijk gezien als een proef. Het kabinet wil ervaring opdoen met een vast ritme waarin signalen uit de praktijk sneller kunnen worden vertaald naar concrete wetswijzigingen.
Omgevingswet als eerste praktijktoets
Voor de vastgoedpraktijk is vooral relevant dat de eerste editie mede ziet op de Omgevingswet. Onderdeel daarvan is de Wijzigingswet Omgevingswet stelselaspecten. Volgens de Kamerbrief gaat het om een pakket dat instrumenten binnen de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht moet verbeteren. Daarbij worden onder meer genoemd: het instrument ‘programma’, het voorbereidingsbesluit, het projectbesluit, de verkenningsfase, handhaving, gegevensverzameling, financiële zekerheid en experimenteerruimte.
Dat klinkt technisch, maar kan in de praktijk betekenis hebben. Bij vastgoedontwikkeling gaat juridische onzekerheid zelden alleen over de vraag wat wel of niet mag. Het gaat ook over timing, financierbaarheid, contractuele verplichtingen en de vraag of een project bestuurlijk uitvoerbaar blijft. Onduidelijkheid over de inzet van een voorbereidingsbesluit kan bijvoorbeeld direct gevolgen hebben voor verwervingsbeslissingen, ontwikkelstrategieën en lopende vergunningtrajecten. Onzekerheid over het projectbesluit of de verkenningsfase kan doorwerken in planning, participatie en de verdeling van risico’s tussen overheid en markt.
Juist daarom kan de vereenvoudigingswet interessant zijn. Niet omdat zij op zichzelf garandeert dat projecten sneller worden gerealiseerd, maar omdat zij mogelijk een route biedt om terugkerende knelpunten in het stelsel sneller te repareren. De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 in werking. De eerste jaren na inwerkingtreding zijn per definitie jaren waarin praktijkervaring moet worden opgedaan. Als uit die praktijk blijkt dat bepaalde instrumenten onvoldoende duidelijk, onvoldoende flexibel of lastig uitvoerbaar zijn, is het waardevol als de wetgever daarop sneller kan reageren.
Vereenvoudiging is nog geen versnelling
Tegelijk moet de vastgoedsector zich niet rijk rekenen. Vereenvoudiging is geen synoniem voor versnelling. Vertraging ontstaat vaak door een combinatie van factoren: beperkte ambtelijke capaciteit, politieke gevoeligheid, participatie, milieuruimte, onderzoeksverplichtingen, bezwaar en beroep, en soms simpelweg conflicterende belangen. Een wetswijziging kan een procedure verduidelijken, maar zij neemt niet automatisch de inhoudelijke spanning uit een project weg.
Aandachtspunt: leges bij energieprojecten
Een afzonderlijk punt van aandacht betreft energieprojecten. De Kamerbrief vermeldt dat het wetsvoorstel van de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei bepalingen aan de Omgevingswet toevoegt waarmee provincies en het Rijk leges kunnen heffen voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een projectbesluit voor energieprojecten. Daarmee wordt de huidige werkwijze aangepast, waarbij kosten veelal via overeenkomsten met provincie of Rijk worden betaald. Voor ontwikkelaars van duurzame energieprojecten, grondeigenaren en investeerders kan dit relevant zijn voor de kostenstructuur en de contractuele inrichting van projecten.
Planning eerste en tweede editie
Ook de planning is belangrijk. Het kabinet richt zich op indiening van de wetsvoorstellen uit de eerste editie bij de Tweede Kamer in november 2026 en publicatie in het Staatsblad in april 2027. De bijgevoegde planning gaat uit van behandeling in de Tweede Kamer tussen november 2026 en februari 2027, behandeling in de Eerste Kamer in februari en maart 2027 en inwerkingtreding vanaf 15 april 2027, maar het blijft een beoogd tijdpad. De tweede editie volgt kort daarna, met internetconsultatie en toetsen van september tot half november 2026 en beoogde bekrachtiging, publicatie en inwerkingtreding in juli 2027.
Wat kan de vastgoedpraktijk nu doen?
Voor marktpartijen kan hier een handelingsperspectief liggen. Wie in projecten tegen terugkerende knelpunten aanloopt, kan overwegen die concreet te formuleren en aan de overheid kenbaar te maken.
De eerste editie kan een belangrijke graadmeter worden. Als de wet daadwerkelijk leidt tot helderdere instrumenten, minder onnodige proceslast en snellere correctie van uitvoeringsproblemen, kan zij mogelijk bijdragen aan betere planvorming en meer investeringszekerheid. Blijft het vooral bij technische reparaties, dan kan de impact voor de vastgoedpraktijk beperkt zijn, gelet op de grotere problematiek die verdergaande oplossingen vereist. Voorlopig lijkt de vereenvoudigingswet daarom vooral een ontwikkeling om kritisch te volgen: interessant in opzet, maar pas overtuigend als de praktijk merkt dat knelpunten daadwerkelijk sneller worden weggenomen.
