Rijksregels voor energieopslagsystemen

De snelle elektrificatie van de samenleving en de noodzaak om netcongestie aan te pakken, hebben geleid tot een groei van het aantal energieopslagsystemen. Tot op heden was de regulering versnipperd over omgevingsplannen, maatwerk- en vergunningvoorschriften. Het op 27 maart 2027 gepubliceerde Wijzigingsbesluit energieopslagsystemen voor elektrische energie en opslag van energiedragers voor elektrische energie (“Wijzigingsbesluit”), dat momenteel ter internetconsultatie voorligt, brengt hier verandering in door landelijke kaders te scheppen binnen het stelsel van de Omgevingswet (“Ow”).

In deze blog bespreken Erwin Noordover en Julian Schouten de belangrijkste gevolgen voor tot energieopslagsystemen.[1]De nieuwe regelgeving bevat ook normen voor de opslag van energiedragers. Deze regels worden in deze blog niet besproken.

Op dit moment is een energieopslagsysteem (ook wel “EOS”) geen aangewezen milieubelastende activiteit (“MBA”) op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving (“Bal”). Daarmee zijn de regels uit het Bal, waaronder geluidsnormen, niet van toepassing op deze activiteit. Wel is sprake van een MBA voor de regels uit de bruidsschat in omgevingsplannen (art. 22.41, lid 1 Bruidsschat). In de bruidsschat is de specifieke zorgplicht opgenomen (art. 22.44 Bruidsschat). De specifieke zorgplicht geldt voor alle activiteiten die nadelige gevolgen kunnen veroorzaken voor het milieu en niet als MBA zijn aangewezen in het Bal (art. 22.41 lid 1 en art. 22.44 lid 1, 2 en 4 Bruidsschat). In de praktijk werd op een EOS als MBA PGS 37-1 als invulling van de zorgplicht op grond van een maatwerkvoorschrift als best beschikbare techniek vastgelegd (art. 22.45 en art. 22.44, lid 2 sub c Bruidsschat).

Energieopslagsysteem als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving

Het exploiteren van een energieopslagsysteem voor elektrische energie met een opslagcapaciteit groter dan 20 kWh wordt met het Wijzigingsbesluit aangewezen als een MBA in het Bal (art. 3.35a Bal). Deze ondergrens is gekozen omdat volgens de wetgever relevante veiligheidsscenario’s voor de omgeving pas worden verwacht vanaf dit vermogen. Systemen boven deze grens moeten minimaal vier weken voor aanvang van de activiteit worden gemeld bij het bevoegd gezag (art. 4.1052c Bal).

Voor andere installaties volstaat een melding niet, daarom worden voor drie categorieën een vergunningplicht ingevoerd. Deze vergunningplicht wordt ingevoerd, omdat de wetgever het noodzakelijk acht voor bepaalde energieopslagsystemen een voorafgaande beoordeling te verrichten van ruimtelijke inpassing en de veiligheidsrisico’s. De categorieën zijn:

  1. een energieopslagsysteem met een capaciteit van ten minste 50 MWh;
  2. batterijparken bestaande uit een combinatie van meerdere energieopslagsystemen voor elektrische energie, die technisch met elkaar verbonden zijn, bij een grens van 400 MWh;
  3. systemen met andere dan lithiumhoudende energiedragers, ongeacht het vermogen, omdat daarvoor geen gestandaardiseerde risicobenadering (zoals PGS 37-1) beschikbaar is.

De aanwijzing als MBA zorgt ervoor dat ontwikkelaars en exploitanten niet langer uitsluitend te maken hebben met lokale regels, maar moeten voldoen aan de rechtstreeks werkende rijksregels uit het Bal. De belangrijkste verplichtingen worden hieronder toegelicht.

Belangrijkste verplichtingen

Centraal staat de wettelijke verplichting voor energieopslagsystemen om te voldoen aan PGS 37-1 (art. 4.1052h Bal). Hiermee worden technische en organisatorische maatregelen, zoals brandcompartimentering en monitoring van de ‘thermal runaway’, de landelijk voorgeschreven standaard. In de praktijk werd al gezocht naar mogelijkheden om nieuwe energieopslagsystemen te koppelen aan PGS 37-1: dit werd bijvoorbeeld gedaan via voorwaardelijke verplichtingen in ruimtelijke besluiten of via maatwerkvoorschrift. Dergelijke routes zijn straks dus niet meer nodig voor de naleving van PGS 37-1.

Andere belangrijke verplichtingen zijn:

Het vastleggen van risicoafstanden tot beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties (art. 4.1052f Bal).

    • De risicoafstanden zijn in detail gedifferentieerd naar type systeem (stationair/mobiel), capaciteit en gebruikte batterijchemie (zoals LFP en NMC), en zijn gebaseerd op RIVM-rekenmethodiek.
    • Als het in acht nemen van de risicoafstand vanwege gegronde redenen niet mogelijk is, dan geldt de risicoafstand in ieder geval tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in de omgeving (art. 4.1052f, lid 3 Bal), tenzij deze gebouwen en/of locaties een functionele binding hebben met de batterijactiviteit (art. 4.1052f, lid 4 Bal).

Het uitvoeren van een eindonderzoek bodem en het treffen van bodembeschermende voorzieningen (art. 4.1052e Bal).

Tot slot geldt dat het bevoegd gezag de batterijactiviteiten moet vastleggen in het Register externe veiligheid, waardoor risico’s publiek inzichtelijk worden via de Atlas leefomgeving (art. 11.1 en art. 11.3 Besluit kwaliteit leefomgeving).

Het overgangsrecht voor bestaande opslaglocaties

Voor exploitanten van bestaande batterijactiviteiten wordt voorzien in een specifiek overgangsregime.

Voor energieopslagsystemen die voor de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit al werden geëxploiteerd, geldt vanaf de inwerkingtreding een melding of vergunning van rechtswege (art. V, lid 1 en 2 Wijzigingsbesluit). Dit overgangsrecht geldt voor maximaal twee jaar en zolang de exploitatie van het bestaande systeem naar aard en omvang niet verandert vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe regels. Gedurende deze periode blijven eventuele regels op grond van omgevingsplannen, maatwerk- en vergunningvoorschriften nog van kracht (art. V, lid 3 en 4 Wijzigingsbesluit).

Na afloop van deze twee jaar vervallen de melding en vergunning van rechtswege en moeten alle bestaande energieopslagsystemen volledig voldoen aan de direct werkende rijksregels. Voor installaties die onder de meldplicht vallen betekent dit dat een (nieuwe) melding moet worden gedaan, die specifieke technische gegevens bevat, waaronder de exacte coördinaten van het middelpunt, de maximale capaciteit in kWh en het type en de verwachte begindatum en duur van de exploitatie. Voor de vergunningplichtige gevallen zal na twee jaar een (nieuwe) vergunning verkregen moeten zijn: er moet dus niet te lang worden gewacht met het indienen van een aanvraag daarvoor als de nieuwe regels eenmaal in werking zijn getreden. Voor de verkrijging van de vergunning zal moeten worden voldaan aan de risicoafstanden en PGS 37-1.

Conclusie

De afgelopen jaren zijn veel energieopslagsystemen gerealiseerd, van verschillende groottes en met verschillende functies, zowel co-located, achter de aansluiting of standalone. Met het wijzigingsbesluit wordt voor deze sector binnen Nederland een gelijk speelveld geïntroduceerd, waardoor ontwikkelaars meer zekerheid krijgen over de na te leven regels.

Vooral de termijn van twee jaar voor het verkrijgen van een nieuwe vergunning voor grote energieopslagsystemen zou in de praktijk voor problemen kunnen zorgen bij exploitanten van bestaande energieopslagsystemen.

De internetconsultatie van het Wijzigingsbesluit loopt tot en met 28 april 2026.


Zie ook onze andere blog over energieopslagsystemen

Footnotes and References

Footnotes and References
1 De nieuwe regelgeving bevat ook normen voor de opslag van energiedragers. Deze regels worden in deze blog niet besproken.
Menu