Q&A Omgevingswet XX: Participatie vergeleken met het buitenland

Deze blog verscheen in –> Vastgoedjournaal | leestijd: 4 minuten

Hoe vergelijken de participatie-eisen uit de Omgevingswet zich met het buitenland?

Iedere week behandelen juridische experts van NewGround Law een facet van de Omgevingswet, de nieuwe wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving. Pim Oremans en Pieter van der Woerd beantwoorden de vraag hoe de participatie-eisen uit de Omgevingswet zich laten vergelijken met het buitenland.

De Omgevingswet vervangt alle bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving (o.a. ruimtelijke ordening, milieu en natuurbescherming). Onder het motto “eenvoudig beter” zullen 40 wetten en 120 AMvB’s worden gebundeld in één wet en vier AMvB’s. Dat zou het omgevingsrecht inzichtelijker, voorspelbaarder en gemakkelijker in het gebruik maken; een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, meer flexibiliteit en afwegingsruimte voor lokale overheden en snellere besluitvorming. Hoewel op 1 april 2020 duidelijk is geworden dat de geplande inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2021 niet doorgaat en wordt uitgesteld tot 1 januari 2022, heeft de minister benadrukt dat afstel niet aan de orde is.

Om u goed voor te bereiden op de inwerkingtreding, zullen wij op deze plek daarom wekelijks een vraag beantwoorden ten aanzien van de Omgevingswet. Eerder bespraken wij welke eisen aan participatie de Omgevingswet stelt, en hoe dit kan worden vormgegeven. Deze week vergelijken we de participatie-eisen in Nederland met die van omliggende landen.

Aanleiding en participatie onder de Omgevingswet

Naar aanleiding van Kamervragen heeft minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat in kaart laten brengen wat de stand van zaken is qua participatie bij windenergieprojecten in Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Duitsland, Denemarken en België (Vlaanderen). Dat onderzoek is deze zomer gepubliceerd, en biedt goede aanknopingspunten om de participatie-eisen die uit de Omgevingswet voortvloeien te vergelijken met onze Europese buren. De Omgevingswet legt namelijk veel meer nadruk op het belang van participatie door burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden bij activiteiten die de leefomgeving vormgeven. 

Eerder lichtten we al toe dat participatie in beeld komt bij de omgevingsvisie, het programma, het omgevingsplan, het projectbesluit en de omgevingsvergunning. De vorm daarvan is vrij en bevoegd gezag en initiatiefnemers mogen er gezamenlijk een eigen invulling aan geven. Dát er participatie plaatsvindt wordt in elk geval verplicht; tenminste wanneer het betreffende besluit geen binnenplanse omgevingsplanactiviteit betreft.

Participatie in het buitenland

In het buitenland zijn er al vergelijkbare constructies. Zo bestaat er in het VK een “wet planvorming” die initiatiefnemers verplicht om een “verklaring van overleg met de omgeving” in te dienen bij de bepaalde aanvragen voor een omgevingsvergunning. Zo is het bijvoorbeeld in Engeland verplicht om, vóór het aanvragen van een vergunning, de omgeving te raadplegen bij een windpark van meer dan twee turbines. In Ierland is een vergelijkbaar model: initiatiefnemers moeten een “omgevingsrapport” aanleveren waaruit blijkt hoe ze de omgeving bij de totstandkoming hebben betrokken en hoe aan verplichte participatieregelgeving wordt voldaan.

Denemarken brengt participatie zelfs nog een stapje verder. Omdat daar in elk geval bij windenergieprojecten de omgeving binnen 4,5 km de mogelijkheid moet worden geboden om ook voor maximaal 20% als aandeelhouder in de projecten te participeren, heeft dit tot gevolg dat de omwonenden al vroeg in de planvorming worden betrokken. Dat is echter eerder een gevolg van deze financiële constructie; raadpleging in het planvormingsproces lijkt niet wettelijk verankerd. 

Duitsland daarentegen doet het heel anders. Daar zijn weliswaar inspraakmomenten gedurende de ruimtelijke procedure, zoals dat ook nu al in Nederland het geval is, maar in de planvorming wordt de omgeving niet verplicht betrokken. Ook voor Vlaanderen geldt dat er geen wettelijke verplichting is. Onze directe buren kunnen aldus wellicht nog een en ander van de Omgevingswet leren.

Conclusie

Het idee van meer participatie lijkt in eerste instantie een typisch Nederlands project vanwege onze poldercultuur. Het voorgaande toont echter aan dat andere landen qua participatie in ruimtelijke ordening wellicht al wat verder zijn. Het is dan wel toevallig dat onze directe buren in die zin pas minder ver zijn. In zoverre liep Nederland met Duitsland en Vlaanderen misschien wel achter; en wordt het tijd dat in elk geval de Nederlandse omgeving middels de Omgevingswet meer bij planvorming wordt betrokken.

Menu