Q&A Omgevingswet XV: Participatie-eisen voor bevoegd gezag én initiatiefnemers

Pim Oremans van NEWGROUND beantwoordt de vraag: welke eisen stelt de Omgevingswet aan participatie van bevoegd gezag én initiatiefnemerss?

Deze blog is gepubliceerd op –> Vastgoedjournaal | leestijd 5 minuten

De Omgevingswet vervangt alle bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving (o.a. ruimtelijke ordening, milieu en natuurbescherming). Onder het motto “eenvoudig beter” zullen 40 wetten en 120 AMvB’s worden gebundeld in één wet en vier AMvB’s. Dat zou het omgevingsrecht inzichtelijker, voorspelbaarder en gemakkelijker in het gebruik maken; een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, meer flexibiliteit en afwegingsruimte voor lokale overheden en snellere besluitvorming. Hoewel op 1 april 2020 duidelijk is geworden dat de geplande inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2021 niet doorgaat en tot nader te bepalen moment wordt uitgesteld, heeft de minister benadrukt dat niet gaat over de vraag of het stelsel van de Omgevingswet in werking treedt, maar slechts wanneer. Om u goed voor te bereiden op de inwerkingtreding, zullen wij op deze plek wekelijks een vraag beantwoorden ten aanzien van de Omgevingswet. De komende weken gaan we nader in op participatie onder de Omgevingswet. Deze week is de vraag: welke eisen stelt de Omgevingswet aan participatie?

Wat is participatie in de Omgevingswet?
Wellicht kent u de participizza-avond uit de populaire serie De Luizenmoeder. Daarin organiseert de schoolleiding een pizza-avond om ouders te betrekken bij besluitvorming. Is dat wat de wetgever voor ogen heeft gehad met de regeling van participatie in de Omgevingswet?

In de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit wordt namelijk veel nadruk gelegd op het belang van participatie door burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden bij activiteiten die de leefomgeving vormgeven. In de wet wordt onder een participatieve aanpak verstaan: “het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit”. Participatie is nodig om informatie, kennis, belangen en standpunten te delen en zorgt voor betere besluiten, meer draagvlak en snellere procedures. Partijen worden niet overvallen, maar voelen zich betrokken bij nieuwe ontwikkelingen. Omdat partijen vroegtijdig hun ideeën, alternatieven en verbetervoorstellen kunnen inbrengen, kunnen deze voorstellen nog worden uitgewerkt en beoordeeld.

Participatie bij welke instrumenten en op welke manier?
Participatie is onder de Omgevingswet aan de orde bij de volgende instrumenten: de omgevingsvisie,  het programma, het omgevingsplan, het projectbesluit en de omgevingsvergunning. De insteek voor participatie is dus heel breed. Bij de eerste drie instrumenten staat het bevoegd gezag als eerste aan de lat om participatie in te richten, bij een projectbesluit en zeker bij een omgevingsvergunning ligt het initiatief waarschijnlijk meer bij de aanvrager. 

Maar blijkt ook uit de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit wat er bij deze instrumenten precies moet gebeuren met participatie? Dit is helaas minder duidelijk, omdat hier geen eisen aan zijn gesteld. “De regering heeft de manier van het voeren van participatie in de wet niet vast gelegd, omdat voorkomen moet worden dat het participatietraject een afvinklijstje wordt. Meer gedetailleerd vastleggen hoe overheden en initiatiefnemers omgaan met participatie werkt averechts. De ruimte voor maatwerk wordt dan kleiner. Het is juist een kwestie van enthousiasmeren en meenemen van mensen waarbij participatie een middel is.” De Omgevingswet biedt dus verder geen handvaten hiervoor; dit traject is in principe vormvrij.

Maatwerk en vragen
Gelet op het bovenstaande is er in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit slechts een motiveringsplicht opgenomen. Die brengt met zich mee dat het bevoegd gezag bij het nemen van een besluit met één van de instrumenten moet aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden bij het besluit zijn betrokken, en wat er met de ingebrachte oplossingen is gedaan. Er is dus sprake van maatwerk. Maatwerk is over het algemeen toe te juichen, maar wij voorzien dat er in de praktijk juist daarover veel vragen zullen rijzen. Het kan—net als bij De Luizenmoeder—uit de hand lopen, en dan komen vragen aan de orde als:

  • Wanneer is genoeg aan participatie gedaan? Hoe zal de rechter dat beoordelen?
  • Is het bevoegd gezag of de initiatiefnemer verplicht om alle aangedragen alternatieven en verbetervoorstellen te onderzoeken of te motiveren waarom daarin wel of niet mee kan worden gegaan?
  • Hoe moet worden omgegaan met tegengestelde belangen van de participanten?

Hoewel al deze kritische vragen op dit moment nog niet te beantwoorden zijn, is het wel goed om te zien dat al veel partijen (overheden en ontwikkelaars) bezig zijn met het ontwikkelen van participatie- instrumenten. Volgende week zullen we nader ingaan op deze vragen en reeds bestaande initiatieven, en bezien op welke wijze participatie vorm kan krijgen zodat ook de belangen van de initiatiefnemers geborgd zijn.  

Menu