Additionaliteitsvereiste succesvol getoetst: lessen uit een recente stikstofuitspraak

André Gaastra en Jet van Noort bespreken een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1953).

Het in deze uitspraak centraal staande besluit is een voorbeeld van een succesvolle onderbouwing van het additionaliteitsvereiste, hetgeen op dit moment een van de belangrijkste factoren is in de stikstofproblematiek bij projectontwikkeling.

Vergunning verleend op basis van het PAS

De procedure startte met een verzoek van de milieubeweging om een volledige intrekking van een PAS-vergunning voor een melkveehouderij nabij het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Liefstinghsbroek”. De kernvraag was of de provincie Groningen, als bevoegd gezag, kon aantonen dat er voldoende passende maatregelen waren getroffen om verslechtering van de natuur te voorkomen, waardoor de ingrijpende maatregel van volledige intrekking niet noodzakelijk zou zijn. Waar de rechtbank eerder nog oordeelde dat algemene verwijzingen naar beleid onvoldoende zijn, hield dit besluit in hoger beroep wél stand dankzij een zeer specifieke, ecologische onderbouwing.

Toetsing aan het additionaliteitsvereiste

De doorslaggevende factor in deze zaak was een notitie van 15 januari 2026 van een ecoloog, waarin hij drie concrete, aanvullende maatregelen noemde die binnen afzienbare termijn zouden worden uitgevoerd. Deze maatregelen omvatten 1) de verplaatsing van een andere melkveehouderij die direct aan het gebied grenst, waarbij de vrijkomende gronden zouden worden omgevormd tot natuur- en bufferzone, 2) de gerichte uitkoop van een ander bedrijf via een specifieke provinciale uitkoopregeling en 3) de uitkoop van negen bedrijven via de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv).

De Afdeling is in dit geval van oordeel dat voldoende inzichtelijk is gemaakt wat de kenmerken van het gebied zijn en wat op basis daarvan nodig is en zal worden gedaan om invulling te geven aan de noodzakelijke passende maatregelen. Daarmee is voldoende onderbouwd dat het intrekken van de vergunning van de melkveehouderij niet nodig is om de al opgetreden verslechtering van het Natura 2000-gebied ongedaan te maken, vanwege de herstelmaatregelen die zijn gericht op het verbeteren van de hydrologische situatie en het tegengaan van de al in de bodem geaccumuleerde stikstofdepositie. De omstandigheid dat in 2030 nog sprake zal zijn van een matige tot lichte overschrijding van de kritische depositiewaarde maakt dat niet anders, nu de kritische depositiewaarde geen absolute grenswaarde is maar één van de indicatoren van de staat van een Natura 2000-gebied.

Concluderend oordeelt de Afdeling dat in dit geval voldoende aannemelijk en inzichtelijk is gemaakt dat passende maatregelen worden getroffen met het oog op de noodzakelijke stikstofdepositiedaling binnen afzienbare termijn en dat de intrekking van de gehele betreffende vergunning niet nodig is. Dit betekent dat succesvol is getoetst aan het additionaliteitsvereiste.

Lessen voor de vastgoedmarkt en projectontwikkeling

Het additionaliteitsvereiste vormt veelal een knelpunt in de vergunningverlening voor projectontwikkelingen. Deze uitspraak is een voorbeeld van hoe hier in de praktijk effectief mee omgegaan kan worden. De kern daarbij is dat specifieke, gebiedsgerichte maatregelen moeten worden genomen waarmee aangetoond kan worden dat eventueel vrijkomende stikstofruimte van een specifiek project niet nodig is voor natuurherstel maar kan worden ingezet ten behoeve van een project.

Opvallend is dat de Afdeling toelaat dat dat de kritische depositiewaarde nog enige tijd wordt overschreden en dat dit niet automatisch betekent dat maatregelen onvoldoende zijn. Volgens de Afdeling is de kritische depositiewaarde een indicator voor de staat van de natuur, geen absolute grenswaarde. Als het bevoegd gezag voldoende onderbouwt dat de staat van de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied niet verslechtert en de al opgetreden verslechtering ongedaan zal worden gemaakt, dan blijft de weg voor andere ontwikkelingen open.

Observaties en conclusie 

Deze uitspraak draagt bij aan verdere duidelijkheid over de invulling van het additionaliteitsvereiste en laat zien dat het voldoen aan het additionaliteitsvereiste geen onmogelijke opgave hoeft te zijn, mits het bevoegd gezag bereid is tot investeringen in concrete lokale bronmaatregelen en passende maatregelen die afgestemd zijn op de specifieke kenmerken van de staat van het betreffende Natura 2000-gebied.

Voor de vastgoedsector ligt hier een duidelijke boodschap: de sleutel tot het vlot trekken van de vergunningverlening ligt in de samenwerking met overheden en sturen op een dergelijke gebiedsgerichte aanpak met specifieke ecologische onderbouwing. Een geringe overschrijding van de kritische depositiewaarde hoeft daarbij niet te betekenen dat maatregelen onvoldoende zijn, zolang deze afgestemd zijn op de specifieke kenmerken van de staat van het Natura 2000-gebied.

Wanneer de lokale overheid effectief invulling geeft aan haar plicht om natuurverslechtering te stoppen, ontstaat er weer ruimte voor de broodnodige woningbouw en infrastructuur.


Menu