Nederland wil tijdelijke stikstofdepositie bij duurzame energieprojecten vergunningvrij maken

Op 4 en 5 september 2025 vindt in Kopenhagen een informele bijeenkomst van de ministers van Energie (“informele Energieraad”) plaats. In aanloop naar de informele Energieraad deelde de minister van Klimaat en Groene Groei (“KGG”) op 19 augustus 2025 in een Kamerbrief de geannoteerde agenda en het Nederlandse non-paper “Versnellen van de energietransitie met tijdelijke, beperkte stikstofdepositie”. In deze blog bespreken Erwin Noordover en Chanym Alekperova het non-paper en het verzoek daarin van het kabinet aan de Europese Commissie om tijdelijke, beperkte stikstofdepositie bij hernieuwbare energieprojecten vergunningvrij te maken.

RED III: versnelling van de duurzame energietransitie

Zoals in onze blog van 3 maart 2025 over de implementatie van de Renewable Energy Directive III (“RED III”) beschreven, hebben de lidstaten afgesproken om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. De RED III heeft daarvoor als doel om de energietransitie te versnellen en procedures rond natuur- en milieuvergunningen te vereenvoudigen. Voor Nederland betekent dit onder andere de aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie (“versnellingsgebieden”), waarbinnen specifieke regels gaan gelden voor de vergunningverlening van hernieuwbare energieprojecten en de daarbij horende netwerk- en opslaginfrastructuur.

Binnen de versnellingsgebieden wordt verondersteld dat energieprojecten geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu hebben, mits aan specifieke regels wordt voldaan. Dit leidt onder meer tot een vrijstelling van de verplichting om een milieueffectrapport (“MER”) op te stellen. Normaal gesproken beschrijft een MER de aanzienlijke milieugevolgen van een activiteit en de maatregelen om deze effecten te voorkomen; stikstofdepositie is een voorbeeld van een dergelijk milieugevolg. Gelet op RED III hoeven effecten, zoals stikstofdepositie, die onder normale omstandigheden onderdeel van een MER zouden zijn, in deze context dus niet te worden beoordeeld.

Europese wetgeving op het gebied van natuur en energie niet op elkaar afgestemd

In het non-paper onderschrijft Nederland zowel de Europese klimaatdoelen als de bescherming en het herstel van biodiversiteit. Om klimaatneutraliteit in 2050 te bereiken, acht het kabinet een substantiële opschaling van duurzame energieproductie en de bijbehorende infrastructuur noodzakelijk. De implementatie en toepassing van Europese maatregelen op het gebied van natuur en energie kunnen elkaar echter onder bepaalde omstandigheden beïnvloeden, doordat zij niet goed op elkaar zijn afgestemd. In Nederland lopen vergunningprocedures voor energieprojecten bijvoorbeeld vaak vast, omdat kleine, tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouwfase mogelijk negatieve effecten op een Natura 2000-gebied hebben en de daarvoor noodzakelijke vergunning moeilijk te verkrijgen is.

Voor de mogelijke vergunningverlening moeten relatief kleine stikstofdeposities die tijdens de bouwfase van energieprojecten vrijkomen, uitgebreid worden onderzocht. In de praktijk kan alleen door een tijdrovende en kostbare studie worden uitgesloten dat deze tijdelijke emissies significante effecten hebben: tot die tijd wordt er een negatief effect op Natura 2000-gebieden verondersteld.

Vervolgens worden bij vergunningverlening de positieve effecten van de vermindering van stikstofdepositie door de overstap naar hernieuwbare energie helemaal niet meegenomen. Daarmee levert de bescherming van Natura 2000-gebieden tot vertragingen van de realisatie van energieprojecten, wat niet alleen de decarbonisatie van de industrie belemmert, maar ook de netcongestie verergert.

Volgens het kabinet staat de bescherming van Natura 2000-gebieden hierdoor op gespannen voet met de doelstellingen van RED III om vergunningprocedures te versnellen en te stroomlijnen. RED III veronderstelt immers dat energieprojecten geen aanzienlijke milieueffecten veroorzaken, waaronder stikstof, zodat een afzonderlijke milieueffectbeoordeling in de regel niet vereist is. Onzekerheid bestaat echter over de toepassing van deze veronderstelling op beschermde Natura 2000-gebieden, waardoor het niet duidelijk is of stikstofdepositie op die gebieden alsnog in een passende beoordeling moet worden onderzocht.

Tijdelijke (kleine) stikstofemissies: voorstel voor een weerlegbaar vermoeden

Nederland dringt er bij de Europese Commissie op aan om te verduidelijken dat tijdelijke (kleine) stikstofemissies van de bouwfase van energieprojecten en alle noodzakelijke (infrastructuur)projecten die nodig zijn voor de aansluiting van deze projecten geen nadelige effecten hebben op Natura 2000-gebieden.

Het kabinet stelt voor de verduidelijking vast te leggen in de vorm van een ‘weerlegbaar vermoeden’, een juridische aanname die geldt tot het tegendeel bewezen is. Dit zou geregeld kunnen worden in aankomende Europese wetgevingsvoorstellen (zoals The European Grid Package) door kleine, tijdelijke stikstofemissies uit te sluiten van een passende beoordeling.

Deze verduidelijking stelt Nederland in staat de noodzakelijke randvoorwaarden te scheppen voor de uitvoering van nationale maatregelen. Zoals uiteengezet in het eerder genoemde blog van 3 maart 2025, is Nederland van plan om onder specifieke voorwaarden de verplichting tot een passende beoordeling voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten te laten vervallen voor energieprojecten binnen de versnellingsgebieden. Hierdoor vervalt tevens de bijbehorende vergunningplicht, wat de versnelling van de energietransitie faciliteert.

Conclusie

Met de energietransitie kan tegelijk de stikstofdepositie in beschermde Natura 2000-gebieden worden teruggebracht. Door de groei van opwek van duurzame energie kan grijze opwek worden uitgefaseerd en tegelijk kan Nederland verder elektrificeren. Helaas zijn de regels omtrent natuurbescherming zodanig streng dat ook beperkte stikstofdeposities van duurzame energieprojecten uitgebreid onderzocht moeten worden. Deze zware onderzoeksverplichting geldt helaas ook wanneer de realisatie van het energieproject een vermindering van stikstofdepositie oplevert. Het door Nederland voorgestelde weerlegbare vermoeden dat tijdelijke, beperkte stikstofemissies in de bouwfase geen significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden, kan deze belemmering wegnemen. Voor initiatiefnemers en exploitanten van energieprojecten betekent dit snellere, minder kostbare vergunningprocedures. En voor Nederland betekent dit een bijdrage aan het oplossen van het stikstofprobleem.


Gerelateerde artikelen

Implementatie RED III: versnellingsgebieden zonder versnelling?

Stikstofdepositie: Minder ruimte voor projecten zonder natuurvergunning, aldus uitspraak Raad van State

Menu