Q&A Omgevingswet XVIII: Planschade en de Omgevingswet

Pieter van der Woerd en Tine Leemans-van Koten beantwoorden de vraag: Wanneer kun je onder de Omgevingswet worden geconfronteerd met planschade?

Deze blog verscheen op –> VastgoedJournaal | 25 juni 2020 | leestijd: 5 minuten

De Omgevingswet vervangt alle bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving (o.a. ruimtelijke ordening, milieu en natuurbescherming). Onder het motto “eenvoudig beter” zullen 40 wetten en 120 AMvB’s worden gebundeld in één wet en vier AMvB’s. Dat zou het omgevingsrecht inzichtelijker, voorspelbaarder en gemakkelijker in het gebruik maken; een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, meer flexibiliteit en afwegingsruimte voor lokale overheden en snellere besluitvorming. Hoewel op 1 april 2020 duidelijk is geworden dat de geplande inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2021 niet doorgaat en wordt uitgesteld tot 1 januari 2022, heeft de minister benadrukt dat afstel niet aan de orde is.

Om u goed voor te bereiden op de inwerkingtreding, zullen wij op deze plek daarom wekelijks een vraag beantwoorden ten aanzien van de Omgevingswet. De vraag van deze week luidt: Wanneer kun je onder de Omgevingswet worden geconfronteerd met planschadeclaims?

Planschadevergoeding: wat verandert er onder de Omgevingswet?

Onder huidig recht kent het college van B&W degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een of meerdere van de in artikel 6.1 Wro limitatief opgesomd planologisch besluiten, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven of op andere wijze in tegemoetkoming wordt voorzien. De in de praktijk meest voorkomende schadeoorzaak is de vaststelling van een bestemmingsplan, als gevolg waarvan een derde direct of indirect schade leidt. 

Hoofdstuk 15 van de Omgevingswet, toegevoegd via de Invoeringswet Omgevingswet, bevat de nieuwe regeling voor planschade, die we vanaf de inwerkingtreding nadeelcompensatie gaan noemen. Evenals onder de Wro, is nadeelcompensatie op grond van de Omgevingswet alleen mogelijk indien de schade wordt veroorzaakt door een of meer van de in artikel 15.1 onder a t/m o Omgevingswet limitatief opgesomde gevallen. Bij lezing van het artikel valt direct op dat, anders dan onder huidige Wro, een omgevingsvergunning of het weigeren daarvan is aangewezen als schadeoorzaak. Tegelijkertijd is de vaststelling van een omgevingsplan, de opvolger van het huidige bestemmingsplan, niet aangewezen als schadeoorzaak. Wij lichten die verschuiving nader toe.

Moment van claimen nadeelcompensatie

Onder de Wro kiest de bestemmingsplanwetgever er meestal voor om bestemmingen in detail te regelen in het bestemmingsplan. Dit om het risico op en de hoogte van verzoeken om planschadevergoeding zoveel mogelijk op voorhand in te kunnen schatten. Bijna altijd komen claims om planschadevergoeding via een anterieure overeenkomst terecht bij initiatiefnemer en deze ziet niets in een theoretische ongelimiteerde planschadeclaim als een zwaard van Damocles boven zijn project. 

In de Omgevingswet wordt beoogd te komen tot compensatie van werkelijke schade in plaats van ‘theoretische’ schade. Daarvoor wordt het moment waarop indirecte schade kan worden geclaimd verlegd van de vaststelling van het omgevingsplan naar het moment dat de vergunning voor een ontwikkeling wordt verleend of het moment dat de schadeveroorzakende activiteit daadwerkelijk wordt verricht. Op het moment dat het omgevingsplan wordt vastgesteld, zal door de ruime mogelijkheden van dat plan, namelijk vaak geen bruikbaar vergelijk mogelijk zijn tussen het oude en nieuwe planologische regime (zoals gemaakt moet worden op grond van de huidige systematiek). Bij vergunningverlening voor een concreet initiatief kan immers wél een inschatting van de schade worden gemaakt, omdat de concrete invulling van het omgevingsplan dan duidelijk is. Door deze belangrijke wijziging wordt voorkomen dat planschade moet worden vergoed voor ontwikkelingen die ten tijde van de vaststelling van het omgevingsplan mogelijk waren, maar die zich nooit zullen verwezenlijken, omdat het concrete initiatief anders wordt ingevuld. Deze wijziging zou daarom moeten bijdragen aan het bevorderen van uitnodigingsplanologie.

Een belangrijke uitzondering op deze verschuivingsregel is te vinden in het overgangsrecht. Door het overgangsrecht krijgt elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan komen onder meer bestaande bestemmingsplannen terecht. Op grond van artikel 22.13 Omgevingswet is een omgevingsvergunning die wordt verleend op grond van dit tijdelijke deel géén schadeveroorzakend besluit. Daarmee wordt voorkomen dat tweemaal kan worden verzocht om tegemoetkoming in planschade kunnen worden ingediend; één keer al bij de vaststelling van “oude” bestemmingsplan en één keer bij het verlenen van de omgevingsvergunning.

Schaduwschade

Het verleggen van het moment waarop om planschadevergoeding kan worden verzocht, levert ook nadelen op. Het meest in het oog springende is dat de – onder de Wro reeds aanwezige – problematiek van de zogenoemde schaduwschade. Dat is schade die optreedt voordat een schadeoorzaak zoals de omgevingsvergunning in werking treedt, bijvoorbeeld de waardevermindering van een woning omdat bekend is dat het planologisch regime gewijzigd wordt. Het nadeel voor de omwonende treedt al op bij de voorbereiding van (de wijziging) van het omgevingsplan, maar hij moet nu wachten totdat de omgevingsvergunning in werking treedt voordat een verzoek om nadeelcompensatie gedaan kan worden. De periode van het optreden van schaduwschade wordt met het verleggen van de schadeoorzaak verlengd, maar er bestaat onder de Omgevingswet geen recht op vergoeding van deze schade.

Tot slot

De verschuiving van het moment waarop planschade ontstaat, past goed in de systematiek en bij de doelen van de Omgevingswet. Tegelijkertijd biedt het niet zonder meer een oplossing voor de problemen die onder het huidige recht bestaan. In zoverre kan worden betwijfeld of daadwerkelijk sprake is van ‘eenvoudig beter’.

Menu